|
|||
|
Code Systeem |
|||
| BASIS VAN HET CODE SYSTEEM |
|
De codes zijn gebaseerd op: - ADICAP - WHO-classificatie, ICD-O - “Bone Marrow Pathology” van B.J. Bain et al., Blackwell Science Ltd., 2001 - “Leukaemia Diagnosis” van B. J. Bain et al., Blackwell Science Ltd., 1999 - “Practical Diagnosis of Hematologic Disorders” van C. Kjeldsberg et al., ASCP Press, 2000 - “Bone Marrow Pathology” van K. Foucar et al. ASCP Press, 2001 - “Flow cytometrische Immunodiagnostiek. Nieuwe ontwikkelingen en hun toepassingen” van JJM. Van Dongen et al, Haveka, 1998 De codes,
diagnoses en morfologische/hematologische beelden, relevant voor ons
laboratorium werden uit deze werken gedestilleerd om tot een praktisch
werkbaar geheel te komen |
| CODE SYSTEEM WERKWIJZE |
|
De code wordt opgebouwd uit volgende onderdelen: 1. vraagstelling: algemeen en specifiek 2. pathologie: algemeen en specifiek 3. beenmerglokalisatie 4. zekerheidsgraad 5. tijdsniveau 6. evolutie 7. beeld 8. differentieel diagnose
De lijsten met deze verschillende codeonderdelen zijn opgenomen als bijlagen. |
1.Vraagstelling |
|
De informatie wordt overgenomen van het aanvraagformulier, verder worden klinische inlichtingen gezocht bij de protocols van anatomo-pathologie, medische beeldvorming en via het KWS. Dit code onderdeel voor de vraagstelling bestaat uit 2 delen:
· Vraagstelling Specifieke Code: deze komt overeen met de specifieke vraagstelling. Deze specifieke vraagstellingen worden gecodeerd met de letter V gevolgd door 2 cijfers. De
verschillende mogelijkheden om de vraagstelling te coderen zijn opgenomen in
Bijlage 1. Opmerkingen
|
2. Pathologie |
|
De code voor de pathologie bestaat eveneens uit 2 delen: · Pathologie Algemene Code: deze komt overeen met een klasse van aandoeningen. Er zijn 13 klassen van aandoeningen met elk een letter als code (A t.e.m. M). Deze indeling in klassen van aandoeningen geldt zowel voor de vraagstelling als voor de diagnose. · Specifieke Codes: deze bestaat uit een letter en 2 cijfers. De letter maakt een onderscheidt tussen FAB - WHO- en andere classificaties (F = FAB, W = WHO en A = Andere). Deze letter in combinatie met 2 cijfers komt overeen met de specifieke aandoening. De verschillende mogelijkheden om de pathologie te coderen zijn opgenomen in Bijlage 2. De definities per pathologie staan in Bijlage 3.
Opmerkingen· Indien de aandoening enkel gekend is op het niveau van de klasse van aandoeningen, wordt enkel een code gegeven voor deze klasse van aandoeningen: vb. Indien enkel gekend is dat de patiënt een myelodysplastisch syndroom heeft, maar het juiste type is niet gekend wordt enkel de code ‘Myelodysplastisch syndroom’ toegekend in het vakje Pathologie Alg. Code.. · De mogelijkheid wordt gegeven om meerdere diagnoses bij 1 cytologisch protocol toe te voegen en meerdere codes toe te voegen. o Differentieel diagnoses tussen verschillende pathologie codes kunnen gecodeerd worden. o Indien, bij een MDS of AML, volgens de FAB- en WHO-classificatie kan worden gecodeerd, worden beide codes gegeven. o Indien meerdere verschillende diagnoses aanwezig, moeten deze allemaal gecodeerd worden. · Er wordt zoveel mogelijk gecodeerd onder de FAB- en WHO-classificatie. Enkel indien geen specifieke FAB- of WHO-code ter beschikking is, kan men gebruik maken van de codes van Andere classificaties. Bijvoorbeeld: een MDS of een myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoening die evolueert naar een acute leukemie valt onder de WHO-classificatie (DW05: acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie) en niet onder de Andere classificatie Secundaire acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie (FA02). · Bij een ALL wordt enkel de meest specifieke diagnose gecodeerd. |
3. Beenmerg / Perifeer bloed lokalisatie |
|
Ingeval van invasie of lokalisatie van lymfoproliferatieve aandoeningen en extramedullaire vaste tumoren in het bloed of beenmerg wordt dit aangeduid:
|
4. Zekerheidsgraad |
|
Er wordt een zekerheidsgraad aan de pathologie code toegekend: · 1 = onzeker (wordt eveneens gebruikt bij differentieel diagnoses (DD)). · 2 = vrij zeker/waarschijnlijk · 3 = zeker (pas in te vullen indien voldoende bewijzen geleverd en gekend zijn, vanuit UZ Leuven; Er wordt geen diagnose met zekerheidsgraad 3 overgenomen vanuit een ander ziekenhuis). |
5. Tijdsniveau |
|
Het tijdsniveau wordt toegekend: · 1 = nieuwe diagnose · 2 = follow-up Opmerkingen· Beenmerg: follow-up = indien ooit voor dezelfde pathologie een cytologische beoordeling van een BM is gebeurd. · Perifeer bloed: follow-up = indien binnen bijvoorbeeld 6 maand voor dezelfde pathologie een cytologische beoordeling van PB is gebeurd. |
6. Evolutie |
|
Enkel bij een follow-up staal wordt de evolutie gecodeerd: deze code bestaat uit de letter E (evolutie) en 2 cijfers. De evolutie wordt bepaald door het morfologisch beeld en/of de immuunfenotypering. Andere parameters worden niet opgenomen in deze evolutie (vb. moleculair onderzoek, hematologische parameters). De verschillende mogelijkheden om de pathologie te coderen zijn opgenomen in Bijlage 4.
Opmerkingen
|
7. Beeld |
|
De niet-specifieke morfologische/hematologische beelden zijn samengevat onder de code letter N. Deze beelden kunnen als bijkomende informatie ingevuld worden of als differentieel diagnose. Indien het bijkomende informatie betreft, wordt enkel het beeld ingevuld en wordt het vakje “DD” niet aangekruist. Indien het een differentieel diagnose betreft tussen één (of meerdere) pathologie code(s) en één (of meerdere) beeld(en) dan wordt het vakje “DD” wel aangekruist.
Opmerkingen
|
|
Er kan een differentieel diagnose gesteld worden: · Tussen pathologie codes · Tussen 1 pathologie code en 1 beeld: men duidt het vakje “DD” aan na het beeld. · Tussen meerdere pathologie codes en 1 beeld · Tussen 1 pathologie code en meerdere beelden
·
Tussen
meerdere pathologie codes en meerdere beelden |
|
[code_systeem_voorbeelden.htm]
|
| Bijlagen |
| Bijlage 1: Vraagstelling |
| Vraagst. Alg. Code |
B Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoeningC Chronische myeloproliferatieve aandoeningD Acute myeloïde leukemie (AML) E Acute lymfoblastische leukemie (ALL) F Secundaire leukemieG Lymfoproliferatieve aandoeningH PlasmaceldyscrasieI Andere neoplasie van hematopoïetische of lymfoïde origineJ Constitutionele hematologische aandoeningK Verworven hematologische aandoeningL Beenmerginvasie extramedullaire tumorM Argumenten voor infectie in het beenmergN RedenO DonorP Andere
|
|
|
| Vraagst. Spec.Codes |
|
AV01 Myelodysplastisch syndroom ? AV02 Myelodysplastisch syndroom follow-up BV01 Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoening ? BV02 Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoening follow-up CV01 Chronische myeloproliferatieve aandoening ? CV02 Chronische myeloproliferatieve aandoening follow-up DV01 Acute myeloïde leukemie (AML) ? DV02 Acute myeloïde leukemie (AML) follow-up EV01 Acute lymfoblastische leukemie (ALL) ? EV02 Acute lymfoblastische leukemie (ALL) follow-up FV01 Secundaire leukemie ? FV02 Secundaire leukemie follow-up GV01 Lymfoproliferatieve aandoening: beenmerginvasie ? GV02 Lymfoproliferatieve aandoening follow-up HV01 Plasmaceldyscrasie ? HV02 Plasmaceldyscrasie follow-up IV01 Andere neoplasie van hematopoïetische of lymfoïde origine: beenmerginvasie ? IV02 Andere neoplasie van hematopoïetische of lymfoïde origine follow-up JV01 Constitutionele hematologische aandoening ? JV02 Constitutionele hematologische aandoening follow-up KV01 Verworven hematologische aandoening ? KV02 Verworven hematologische aandoening follow-up LV01 Beenmerginvasie extramedullaire tumor ? LV02 Beenmerginvasie extramedullaire tumor follow-up MV01 Argumenten voor infectie in het beenmerg ? MV02 Argumenten voor infectie in het beenmerg follow-up NV01 Reden anemie ? NV02 Reden leucopenie ? NV03 Reden trombopenie ? NV04 Reden bicytopenie ? NV05 Reden pancytopenie ? NV06 Reden polycythemie ? NV07 Reden leucocytose ? NV08 Reden trombocytose ? NV09 Pseudothrombopenie? NV10 Fragementocyten/sferocyten? OV01 Donor PV01 Koorts PV02 Andere PV03 Onderliggende hematologische maligniteit? PV04 Nieuwe acute leukemie?
PV05 Niet gekend |
B Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoeningC Chronische myeloproliferatieve aandoeningD Acute myeloïde leukemie (AML) E Acute lymfoblastische leukemie (ALL) F Secundaire leukemieG Lymfoproliferatieve aandoeningH PlasmaceldyscrasieI Andere neoplasie van hematopoïetische of lymfoïde origineJ Constitutionele hematologische aandoeningK Verworven hematologische aandoeningL Beenmerginvasie extramedullaire tumor
M
Argumenten voor infectie in het beenmerg
|
|
AF01 Refractaire anemie (RA) AF02 Refractaire neutropenie AF03 Refractaire trombopenie AF04 Refractaire anemie met ringsideroblasten (RARS) AF05 Refractaire anemie met exces aan blasten (RAEB) AF06 Refractaire anemie met exces aan blasten in transformatie (RAEB-T) AF07 Chronische myelomonocyaire leukemie (CMML) DF01 AML-M0 DF02 AML-M1 DF03 AML-M2 DF04 AML-M3 DF05 AML-M3v DF06 AML-M4 DF07 AML-M4eo (inv16) DF08 AML-M5 DF09 AML-M5a DF10 AML-M5b DF11 AML-M6 DF12 AML-M6v DF13 AML-M7 EF01 ALL-L1/L2
EF02 ALL-L3 (Burkitt-like) |
| Spec. Code (WHO) |
|
AW02 Refractaire anemie met ringsideroblasten (RARS) AW03 Refractaire cytopenie met multilineaire dysplasie (RCMD) AW04 Refractaire cytopenie met mulilineaire dysplasie en ringsideroblasten (RCMD-RS) AW05 Refractaire anemie met exces aan blasten -1 (RAEB-1) AW06 Refractaire anemie met exces aan blasten -2 (RAEB-2) AW07 Myelodysplastisch syndroom - niet classificeerbaar (MDS-U) AW08 5q-syndroom AW09 Therapie-gerelateerd myelodysplastisch syndroom BW01 Chronische myelomonocytaire leukemie (CMML) BW02 Atypische chronische myeloïde leukemie (aCML) BW03 Juveniele myelomonocytaire leukemie (JMML) BW04 Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoeningen, niet classificeerbaar MDS/MPD,U) CW01 Chronische myeloïde leukemie (CML Ph+ : t(9;22)(qq34;q11), BCR/ABL) CW02 Chronische neutrofiele leukemie (CNL) CW03 Chronische eosinofiele leukemie/hypereosinofiel syndroom (CEL) CW05 Chronische idiopathische myelofibrose (CIMF) CW06 Essentiële thrombocytemie (ET) CW07 Chronische myeloproliferatieve aandoening, niet classificeerbaar (CMPD,U) DW01 Acute myeloïde leukemie met t(8;22)(q22;q22); (AML1(CBFa)/ETO) DW02 Acute myeloïde leukemie met abnormale beenmerg eosinofielen inv(16)(p13q22) of t(16;16)(p13;q22) DW03 Acute promyelocyten leukemie (AML met t(15;17)(q22;q12)(PML/RARa) en varianten) DW04 Acute myeloïde leukemie met 11q23 (MLL)abnormalteiten DW05 Acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie DW06 Acute myeloïde leukemie, therapie-gerelateerd DW07 Acute myeloïde leukemie minimaal gedifferentieerd DW08 Acute myeloïde leukemie zonder maturatie DW09 Acute myeloïde leukemie met maturatie DW10 Acute monomyelocytaire leukemie DW11 Acute monoblastische en monocytaire leukemie DW12 Acute erythroïde leukemie DW13 Acute megakaryoblastische leukemie DW15 Acute leukemie van ambiguë cellijn GW01 Mature B-cel neoplasie GW02 Chronische lymfocytaire leukemie/kleincellig lymfocytair lymfoom (B-CLL) GW03 B-cel prolymfocytaire leukemie (B-PLL) GW04 Lymfoplasmocytair lymfoom/Waldenström macroglobulinemie GW05 Splenisch marginaal zone lymfoom GW06 Hairy cel leukemie GW07 Folliculair lymfoom GW08 Mantelcel lymfoom GW09 Diffuus grootcellig B-cel lymfoom GW10 Burkitt lymfoom/leukemie GW11 Mature T-cel neoplasie GW12 Mature NK-cel neoplasie GW13 T-cel prolymfocytaire leukemie (T-PLL) GW14 T-cel large granular lymfocytaire leukemie (T-LGL) GW15 Agressieve NK-cel leukemie GW16 Adult T-cel leukemie/lymfoom GW17 Blastair NK-cel lymfoom GW18 Mycosis fungoïdes/Sezary syndroom GW19 Hodgkin lymfoom GW20 Immuundeficiëntie geassocieerde lymfoproliferatieve stoornis GW21 Lymfoproliferatieve aandoening geassocieerd met primaire immuunstoornis GW22 HIV-gerelateerd lymfoom GW23 Post-transplant lymfoproliferatieve aandoening, polymorf GW24 Methotrexaat-geassocieerde lymfoproliferatieve aandoening HW01 Plasmacel myeloma HW02 MGUS HW03 Solitair plasmocytoma van het bot HW04 Plasmacel leukemie HW05 Plasmacel neoplasie, andere IW01 Langerhanscel histiocytose IW02 Histiocytaire en dendritische cel neoplasmata, andere
IW03 Mastocytose |
| Spec. Code (Andere) |
|
EW01 Precursor B-lymfoblastische leukemie/lymfoblastisch lymfoom EW02 Precursor T-lymfoblastische leukemie/lymfoblastisch lymfoom EA01 Pro-B-ALL EA02 Common-B-ALL EA03 Pre-B-ALL EA04 Mature B-ALL EA05 B-ALL niet classificeerbaar EA06 Pro-T-ALL EA07 Pre-T-ALL EA08 Corticale T-ALL EA09 Mature T-ALL EA10 T-ALL niet classificeerbaar FA01 Secundaire acute myeloïde leukemie zonder multilineage dysplasie FA02 Secundaire acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie FA03 Secundaire acute lymfoblastische leukemie FA04 Secundaire acute leukemie van ambiguë cellijn GA01 Atypische CLL GA02 Blastaire variant/hooggradig lymfoom HA01 Blastaire variant/hooggradige plasmaceldyscrasie JA01 Constitutionele aplastische anemie JA02 Constitutionele red cell aplasie JA03 Hereditaire afwijking van de RBC membraan JA04 Hereditaire enzymafwijking van de RBC JA05 Hemoglobinopathie, qualitatieve aandoening JA06 Hemoglobinopathie, quantitatieve aandoening JA07 Congenitale dyserythropoïetische anemie (CDA) JA08 Hereditaire sideroblastische anemie JA09 Hereditaire aandoeningen met afwijkende morfologie van de granulocyten JA10 Constitutionele aandoeningen geassocieerd met neutropenie JA11 Congenitale aandoeningen geassocieerd met lymfopenie JA12 Constitutionele aandoeningen geassocieerd met neutrofilie JA13 Congenitale thrombocytopenie JA14 Stapelingsziekte KA01 Verworven aplastische anemie, type PNH KA02 Verworven aplastische anemie, andere KA03 Verworven red cell aplasie, type parvovirus infectie KA04 Verworven red cell aplasie, andere KA05 Ferriprieve anemie KA06 Sideroblastische anemie KA07 Megaloblastische/pernicieuze anemie KA08 Hemolytische anemie, auto-immuun gemedieerd KA09 Hemolytische anemie, niet auto-immuun gemedieerd KA10 Verworven myeloïde aplasie/hypoplasie KA11 ITP KA12 Hemofagocytair syndroom KA13 Beenmergnecrose L Metastase extramedullaire tumor MA01 Bacterieel/ricketsiaal MA02 Viraal MA03 Fungaal/protozoair
MA04 Parasitair |
| Bijlage 3: Pathologie definities |
|
Myelodysplastisch syndroom (MDS) AF01 tot AF07 wordt gedefinieerd volgens FAB classificatie AW01 tot AW09 wordt gedefinieerd volgens WHO
Myelodysplastisch/myeloproliferatieve aandoening BW01 tot BW04 wordt gedefinieerd volgens WHO
Chronische myeloproliferatieve aandoening CW01 tot CW07 wordt gedefinieerd volgens WHO
Acute myeloïde leukemie (AML) DF01 tot DF13 wordt gedefinieerd volgens FAB classificatie DW01 tot DW15 wordt gedefinieerd volgens WHO Opmerking DW05 Acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie Deze maligniteit kan per definitie ontstaan: · De novo · Secundair na MDS · Secundair na Myelodysplastische/myeloproliferatieve aandoening
FA01 Secundaire acute myeloïde leukemie zonder multilineage dysplasie Alle secundaire myeloïde leukemiëen die niet passen onder DW005 met maximaal > 50% dysplasie in 1 mergreeks of < 50% dysplasie in > 1 mergreeks
FA02 Secundaire acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie Alle secundaire myeloïde leukemiëen die niet passen onder DW005 met > 50% dysplasie in minstens 2 mergreeksen
Acute lymfoblastische leukemie (ALL) EF01 en EF02 wordt gedefinieerd volgens FAB classificatie EW01 en EW02 wordt gedefinieerd volgens WHO EA01 tot EA10 wordt gedefinieerd op basis van immuunfenotypering Flow cytometrische Immunodiagnostiek, Nieuwe ontwikkelingen en toepassingen (boek). 1998, JJM. Van Dongen en H. Hooijkaas EORTC criteria (protocol 58951 mei 1999, pag. 58-59)
Secundaire leukemieFA01 Acute myeloïde leukemie zonder multilineage dysplasie Alle secundaire myeloïde leukemiëen die niet passen onder DW005 met maximaal > 50% dysplasie in 1 mergreeks of < 50% dysplasie in > 1 mergreeks FA02 Secundaire acute myeloïde leukemie met multilineage dysplasie Alle secundaire myeloïde leukemiëen die niet passen onder DW005 met > 50% dysplasie in minstens 2 mergreeksen FA03 Secundaire acute lymfoblastisch leukemie Alle secundaire lymfoblastische leukemiëen FA04 Secundaire acute leukemie van ambiguë cellijn Alle secundaire leukemiëen van ambiguë cellijn
Lymfoproliferatieve aandoeningGW01 wordt gebruikt indien er geen verdere subtypering mogelijk is op basis van morfologie en/of immuunfenotypering GW02 tot GW10 wordt gedefinieerd volgens WHO GW11 tot GW12 wordt gebruikt indien er geen verdere subtypering mogelijk is op basis van morfologie en/of immuunfenotypering GW13 tot GW24 wordt gedefinieerd volgens WHO GA01 wordt gedefinieerd volgens Bain, CLL, mixed cell type (Leukemia Diagnosis) GA02 wordt gedefinieerd volgens Foucar (Bone Marrow Pathology)
PlasmaceldyscrasieHW01 tot HW05 wordt gedefinieerd volgens WHO HA01 wordt gedefinieerd volgens Foucar (Bone Marrow Pathology)
Andere neoplasmata van hematopoïetische of lymfoïde origineIW01 tot IW03 wordt gedefinieerd volgens WHO
Constitutionele hematologische aandoeningenJA01 tot JA12 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg JA13 wordt gedefinieerd volgens Bain (Bone Marrow Pathology) JA14 wordt gedefinieerd volgens Bain (Bone Marrow Pathology)
Verworven hematologische aandoeningenKA01 tot KA09 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg KA10 Verworven myeloïde aplasie/hypoplasie Weinig cellen Blasten en promyelo KA11 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg KA12 wordt gedefinieerd volgens Bain (Bone Marrow Pathology) KA13 wordt gedefinieerd volgens Bain (Bone Marrow Pathology)
Metastase extramedullaire tumor
InfectieMA01 tot
MA04 wordt gedefinieerd volgens Bain (Bone Marrow Pathology) |
| Bijlage 4: Evolutie |
|
E001 Remissie E002 Persisterend E003 MRD E004 Evolutie E005 Transformatie naar acute leukemie E006 Recidief E007 Recidief met verandering van type E008 Afname |
|
Myelodysplastisch syndroom (MDS)
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van dysplasie En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten
Enkel van toepassing voor RAEB (AF005), RAEB-T (AF006), RAEB-1 (AW005), RAEB-2 (AW006) en therapie-gerelateerd myelodysplastisch syndroom (AW009) met aberrante blasten Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Progressie naar een higher grade myelodysplastisch syndroom (maar nog geen acute leukemie)
Myelodysplastisch/myeloproliferatieve aandoening
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van dysplasie En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten En/of aanwezigheid van kenmerken van een myeloproliferatieve aandoening
Chronische myeloproliferatieve aandoening
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van kenmerken van een myeloproliferatieve aandoening En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten
Progressie naar een higher grade myeloproliferatieve aandoening Of diagnose van CML-acceleratiefase
Acute myeloïde leukemie (AML)
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van dysplasie En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten Blasten kunnen myeloblasten, monoblasten of ingeval van M3 promyelocyten zijn
Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Shift van type leukemie, zonder remissie (morfologisch en immuunfenotypisch) bereikt te hebben
Shift van type leukemie, na bereiken van morfologische en immuunfenotypische remissie
Acute lymfoblastische leukemie (ALL)
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van dysplasie En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten
Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Shift van type leukemie, zonder remissie (morfologisch en immuunfenotypisch) bereikt te hebben
Enkel van toepassing voor Precursor B-lymfoblastisch lymfoom (EW001) en Precursor T-lymfoblastisch lymfoom (EW002)
Shift van type leukemie, na bereiken van morfologische en immuunfenotypische remissie Secundaire leukemie
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van dysplasie En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte blasten En/of aanwezigheid van aberrante blasten Blasten kunnen myeloblasten, lymfoblasten, monoblasten of ingeval van type M3 promyelocyten zijn.
Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Shift van type leukemie, zonder remissie (morfologisch en immuunfenotypisch) bereikt te hebben
Shift van type leukemie, na bereiken van morfologische en immuunfenotypische remissie
Lymfoproliferatieve aandoening
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van aberrante lymfocyten En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte lymfocyten
Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Progressie naar een higher grade lymfoproliferatieve aandoening (niet van toepassing voor B-PLL (GW003), hairy cel leukemie (GW006), mantel cel lymfoom (GW008), diffuus grootcellig B-cel lymfoom (GW009), T-PLL (GW0013), agressieve NK-cel leukemie (GW015), blastair NK-cel lymfoom (GW017)) Of opvallende stijging van het (relatieve) aantal atypische lymfocyten
???? enkel voor mantel cel lymfoom ?????
Plasmaceldyscrasie
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van aberrante plasmocyten En/of aanwezigheid van een verhoogd percentage morfologisch verdachte plasmocyten
Progressie naar een higher grade plasmaceldyscrasie Of opvallende stijging van het (relatieve) aantal atypische plasmocyten
Andere neoplasie van hematopoïetische of lymfoïde origine
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
???Transformatie naar acute leukemie???
Constitutionele hematologische aandoeningen
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van kenmerkende morfologische afwijkingen
Opvallende toename van de kenmerkende morfologische afwijkingen
Opvallende afname van de kenmerkende morfologische afwijkingen
Verworven hematologische aandoeningen
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd) ???? Niet van toepassing voor sommige types van hemolytische anemie (andere mechanische beschadiging (oa. kunstkleppen, colitis ulcerosa), allo-antistof, auto-antistof, hemofagocytair syndroom, stapelingsziekte) ????
Aanwezigheid van kenmerkende morfologische afwijkingen
Enkel van toepassing voor verworven aplastische anemie, PNH (KA001) Enkel immuunfenotypisch argumenten voor persisterende aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten
Opvallende toename van de kenmerkende morfologische afwijkingen
Enkel van toepassing voor verworven aplastische anemie, PNH (KA001)
Enkel van toepassing voor verworven aplastische anemie, PNH (KA001)
Opvallende afname van de kenmerkende morfologische afwijkingen
Beenmerginvasie extramedullaire tumor
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van morfologisch verdachte cellen
Opvallende toename van het aantal morfologisch verdachte cellen
Opvallende afname van het aantal morfologisch verdachte cellen
Argumenten voor infectie in het beenmerg
Geen argument voor residuele aanwezigheid van infectie, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van kenmerkende morfologische/hematologische afwijkingen En/of aanwezigheid van microorganismen
Opvallende toename van de kenmerkende morfologische/hematologische afwijkingen En/of opvallende toename van microorganismen
Opvallende afname van de kenmerkende morfologische/hematologische afwijkingen En/of opvallende afname van microorganismen
Varia
Beeld
Geen argument voor residuele aanwezigheid van ziekte, geen morfologische argumenten en geen immuunfenotypische argumenten (indien uitgevoerd)
Aanwezigheid van kenmerkende morfologische/hematologische afwijkingen
Opvallende toename van de kenmerkende morfologische/hematologische afwijkingen
Opvallende afname van de kenmerkende
morfologische/hematologische afwijkingen |
| Bijlage 6: Beeld |
|
NA01 Pancytopenie NA02 Hypochrome, microcytaire anemie, niet-ferriprief NA03 Anemie tgv chronische ziekte / normochrome, normocytaire niet-hemolytische anemie (secundaire anemie) / andere anemie NA04 Macrocytaire anemie NA05 Macrocytose zonder anemie NA06 Secundaire polycythemie NA07 Verworven dyserythropoïese NA08 Fragmentocytenexces NA09 Sferocytenexces NA10 Exces aan morfologisch afwijkende RBC (andere dan fragmentocyten of sferocyten) NA11 Neutropenie NA12 Agranulocytose NA13 Uitrijpingsstop ter hoogte van mature myeloïde cellen NA14 Lymfopenie NA15 Reactieve neutrofilie NA16 Reactieve eosinofilie NA17 Reactieve basofilie NA18 Reactieve monocytose NA19 Benigne lymfocytose met reactieve morfologie NA20 Benigne lymfocytose zonder reactieve morfologie NA21 Exces aan hematogonen NA22 Reactionele plasmocytose NA23 Histiocytosis NA24 Reële thrombocytopenie NA25 Pseudothrombocytopenie NA26 Thrombopenie tgv perifeer verbruik, afbraak of pooling NA27 Secundaire thrombocytose NA28 Regeneratief beeld NA29 Secundaire myelodysplastische veranderingen NA30 Reactioneel beeld NA31 Groeifactoren? NA32 Staalverwisseling NA33 Sampling error NA34 Perifeer bijgemengd, minder/weinig representatief NA35 Niet representatief NA36 Morfologisch moeilijk te subtyperen NA37 Morfologisch en immuunfenotypisch moeilijk te subtyperen NA38 Normaal NA39 Minimale afwijkingen NA40 Morfologisch moeilijk beoordeelbaar NA41 Morfologisch onvoldoende argumenten voor invasie door een hematologische maligniteit, echter IF wel voldoende argumenten
NA42 Dry tap |
| Bijlage 7: Definitie van beeld |
|
NA01 en NA02 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg
NA03 “vuilbakje” van de anemie NA04 NA05 NA06 NA07 NA08 fragmentocytenexces wordt gedefinieerd vanaf 3-10 / 1000 RBC NA09 sferocytenexces wordt gedefinieerd vanaf 3-10 / 1000 RBC NA10 NA11 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg NA12 agranulocytose wordt gedefinieerd als < 500 x 106 granulocyten/L NA13 uitrijpingsstop NA14 tot NA20 wordt gedefinieerd volgens Kjeldsberg NA21 NA22 NA23 NA24 Reële thrombopenie kan toegepast worden voor perifeer bloed NA25 NA26 Thrombopenie tgv perifeer verbruik, afbraak of pooling kan toegepast worden voor beenmerg NA27 NA28 NA29 Therapie-gerelateerde afwijkingen worden geincludeerd in de secundaire myelodysplastische veranderingen NA30 Omvat onder meer toxisch/reactief beeld, leuco-erythroblastaire formule, linksverschoven myeloïde reeks, geactiveerde lymfocyten zonder lymfocytose, LGL’s zonder lymfocytose NA31 Enkel tengevolge van groeifactoren NA32 NA33 NA34 NA35 NA36 NA37 NA38 wordt gebruikt indien enkel bij de ijzerkleuring (lichte tot matige) afwijkingen worden vastgesteld NA39 minimale afwijkingen wordt gebruikt indien enkel discrete afwijkingen vastgesteld worden NA40 NA41 voornamelijk van toepassing voor lymfoproliferatieve aandoeningen
NA42 dry tap: perifere bijmenging vermoedelijk door
myelofibrose |